Communicatie met MODBUS RTU

Deze documentatie vormt een handige inleiding tot de communicatie met Modbus.

BASISPRINCIPES VAN MODBUS

Modbus RTU is een communicatieprotocol dat werkt volgens het Master/Slave-principe.
De Loxone Modbus Extension staat in voor de Master-taak en kan via een 2-draads bus met maximaal 32 Slaves worden verbonden. 16- en 32-bits gegevenstypes worden ondersteund. Broadcast-commando’s zijn momenteel niet geïmplementeerd.
Het belangrijkste toepassingsgebied van Modbus RTU is de regeltechniek. Talrijke meetomvormers, frequentieomvormers, actuatoren en vele andere apparaten zijn reeds uitgerust met een Modbus RTU-interface.
Meer info over Modbus RTU vindt u hier.

INSTELLINGEN EXTENSION

In de eigenschappen van de Modbus Extension dient u de baudrate, het aantal stopbits en de pariteit in te stellen. Deze instellingen zijn eigen aan het product; u vindt deze informatie in het gegevensblad van uw Modbus-apparaat.

U kunt op elke Modbus Extension tot 32 Modbus-apparaten gebruiken, maar de apparaten moeten allemaal dezelfde bautrate, hetzelfde aantal stopbits en dezelfde pariteit hebben.
Informatie over de eerste ingebruikname van de Modbus Extension vindt u hier.

MODBUS-APPARAAT AANMAKEN

Om een nieuw Modbus-apparaat toe te voegen, selecteert u eerst de Modbus Extension bij de eigenschappen. Rechtsboven vindt u nu het menu-item Sensoren en actuatoren, waar u ook het Modbus-apparaat kunt kiezen.
Hier vindt u bovendien voorgedefinieerde apparaten.

In de apparaateigenschappen dient u nu het adres van de Modbus-deelnemer op te geven.
Modbus-apparaten hebben van de fabrikant een standaardadres gekregen, maar dit adres kan in principe direct op het apparaat worden gewijzigd.

SENSOREN EN ACTUATOREN AANMAKEN

Om een sensor of actuator aan te maken, selecteert u het Modbus-apparaat in de randapparatuur. Vervolgens vindt u rechtsboven het menu-item Sensoren en actuatoren. Hier kunt u het gewenste object selecteren.

Sensoren

In de eigenschappen van de sensor stelt u nu het I/O-adres (=registeradres), het commandotype, het gegevenstype en de opvraagcyclus in.
De opvraagcyclus is het tijdsinterval waarmee de waarde wordt geactualiseerd.
Bij sommige apparaten zijn nog correctie-instellingen vereist, zodat de ontvangen gegevens juist kunnen worden geïnterpreteerd.

De informatie met betrekking tot registeradres, commandotype en gegevenstype wordt door de fabrikant ter beschikking gesteld (productspecifiek).

De ontvangen gegevens van de Modbus Extension worden via de Loxone Link doorgestuurd naar de Miniserver. Houd er dus rekening mee dat vaak opgevraagde waarden de Loxone Link kunnen belasten. Stel redelijke opvraagintervallen in!

Actuatoren

Ook voor de actuator dient u het I/O-adres (=registeradres), het commandotype en het gegevenstype in te voeren bij de eigenschappen.

De informatie met betrekking tot registeradres, commandotype en gegevenstype wordt door de fabrikant ter beschikking gesteld (productspecifiek).

SJABLOON OPSLAAN

Als u een nieuw Modbus-apparaat heeft aangemaakt, kunt u dit ook als sjabloon opslaan.
Klik daartoe met de rechter muisknop op het Modbus-apparaat in de periferieboom en vervolgens op “Als sjabloon opslaan”. Let erop dat de bestandsnaam met “MB_” begint!