Tree tak

De Loxone Tree Interface maakt het mogelijk Tree-apparaten aan te sluiten, en wordt geleverd door de Miniserver, Miniserver Compact, of Tree Extension.

Inhoudsopgave


Tree-apparaten verbinden

Er kunnen tot 50 Tree apparaten worden aangesloten op de Tree interface van een Miniserver, of op elk van de twee takken van een Tree Extension. Er mag geen verbinding zijn tussen verschillende Tree takken.
Het volgende diagram toont de bedrading van verschillende Tree apparaten die zijn aangesloten op twee verschillende takken van een Tree Extension.

De volgende bedradingstopologieën zijn mogelijk, bij een maximale lengte van 500m/1640ft:

De Loxone Tree kabel wordt gebruikt voor de bedrading, het bevat de Tree communicatielijnen en de lijnen voor de 24VDC stroomvoorziening in de overeenkomstige kleuren. Voor apparaten met hogere stroomvereisten, zoals Tree verlichtingsproducten, bevat de Tree kabel ook een paar draden met een doorsnede van 1,5 mm² (AWG16) voor de stroomvoorziening.

Wij raden aan om per kamer één Tree kabel vanaf het paneel te leiden en dan aftakkingen te maken naar de individuele Tree apparaten in die kamer. Dit komt overeen met een Tree topologie.

Binnen de behuizing wordt paneeldraad gebruikt voor de bedrading.

Apparaten die met elkaar communiceren moeten een gemeenschappelijke GND delen. Dit is nodig als er meer dan één voeding wordt gebruikt. (b.v. in een sub-paneel, of als afzonderlijke voedingen worden gebruikt voor verlichting). Daartoe moeten alle GND (negatief) van de voedingen onderling worden verbonden. Deze verbinding is van cruciaal belang voor een betrouwbare gegevensoverdracht.

De max. lengte van 500m geldt voor de communicatielijnen van een Tree Branch, niet voor de leidinglengte van de 24V voeding. Vooral Tree verlichtingsarmaturen hebben een hogere vermogensbehoefte die kan leiden tot spanningsval op de 24V lijnen, en afhankelijk van de topologie kan de haalbare lijnlengte aanzienlijk korter zijn.
Voor langere afstanden of hogere belastingen kunt u ofwel een aparte voeding dichter bij de belastingen gebruiken, of de belastingen verdelen over meerdere huisaansluitingen. Als alternatief kan een aparte lijn met een grotere doorsnede worden geïnstalleerd.

U kunt nu doorgaan met het koppelen van de Tree apparaten.


Koppelen van Tree Apparaten

Om naar Tree apparaten te zoeken, klikt u eerst op een Tree interface in Loxone Config, en activeert u vervolgens Tree apparaten zoeken.

Het venster dat opent zal een lijst tonen van alle aangesloten Tree apparaten die nog geen deel uitmaken van het programma:

Als u hier een apparaat selecteert, zal het zich op verschillende manieren identificeren. Apparaten met een status-LED zullen knipperen, verlichtingsproducten laten een wit licht pulseren, andere apparaten zoals de Loxone Touch laten een hoorbare klik horen. Zo kunt u de apparaten correct toewijzen en benoemen.

Selecteer het gewenste apparaat, wijs een naam, kamer en installatielocatie toe en voeg het toe aan de programmering met de Koppel apparaat of + toets.

In het rechtervenster staan alle apparaten die momenteel deel uitmaken van het programma. U kunt ze weergeven door te klikken op de knop Mijn Tree-apparaten weergeven. U kunt ook een bestaand apparaat vervangen door een nieuw apparaat van hetzelfde type dat bij het zoeken werd gevonden. Dit is nuttig wanneer een apparaat moet worden vervangen of wanneer apparaten worden toegevoegd aan een vooraf geconfigureerd programma. Selecteer het apparaat dat moet worden toegevoegd en het apparaat dat moet worden vervangen. Door op de knop met de pijl naar rechts te klikken, wordt het oude apparaat in het programma vervangen door het nieuwe.

Om de wijzigingen toe te passen, slaat u het programma op in de Miniserver.

Nu zijn de toegevoegde apparaten klaar voor gebruik en de functies zijn beschikbaar bij randapparatuur in Loxone Config.

De Loxone App, onder Instellingen, ondersteunt ook het zoeken naar en koppelen van Tree apparaten.


Update en diagnose voor Tree Apparaten

Als een Update nodig is voor een Tree apparaat, worden ze oranje gemarkeerd in apparaatstatus. Dit gebeurt vaak na een recente update van de Miniserver of bij het toevoegen van apparaten met een oudere firmwareversie.

De Miniserver werkt Tree-apparaten automatisch bij op de achtergrond, de apparaten blijven over het algemeen operationeel. Er kunnen echter vertragingen optreden in de communicatie. In zeldzame gevallen is het mogelijk dat bepaalde functies van Tree-apparaten niet beschikbaar zijn totdat de update is voltooid.

De volgende opties zijn beschikbaar voor Diagnose:

1. De Status LED van een apparaat maakt het mogelijk om snel fouten te controleren.
Rood knipperend: Geen verbinding met Miniserver via Tree interface, controleer bedrading en Miniserver.
Oranje knipperend: Verbinding met Miniserver ok, maar apparaat nog niet toegevoegd aan het programma. Groen knipperend (continu of 3 keer, dan uit): Alles in orde, apparaat is online.
Snel rood/groen knipperend: Apparaat werd geselecteerd in Loxone Config en is aan het identificeren.
Niet knipperend: Normale werking (de status LED is uit of werd uitgezet, afhankelijk van het apparaat)

2. Tree Diagnose geeft een meer gedetailleerde analyse. Maak eerst verbinding met de Miniserver, selecteer een apparaat met Tree interface, en klik dan op de knop Tree Diagnose.

De Tree apparaten worden nu vermeld in het Tree Diagnose venster. Diagnostische gegevens worden continu verzonden, en kunnen worden gebruikt om eventuele fouten op te sporen. Eventuele fouten worden getoond samen met voorgestelde oplossingen.
Tijdelijke fouten (b.v. slecht contact, potentiaalverschil) kunnen ook worden gedetecteerd door packet loss.

Troubleshooting:
Afhankelijk van het aantal en type apparaten dat fouten vertoont in de diagnose, kan de fout gelokaliseerd worden. Het is nuttig om de bedrading van de installatie goed te kennen. Ga na of alleen apparaten op een bepaalde tak, apparaten in een bepaalde kamer, of apparaten voorbij een bepaald punt in de bedrading worden beïnvloed. Dit zal helpen bij het lokaliseren en identificeren van mogelijke oorzaken zoals defecte aansluitingen of omgekeerde datalijnen.
Als fouten slechts sporadisch optreden, monitor dan Tree Diagnose gedurende enige tijd. Gebaseerd op de timing van fouten, kan het mogelijk zijn om een verband te leggen met een andere gebeurtenis. Een ontbrekende GND-verbinding kan ook de oorzaak zijn van intermitterende fouten.


Aanvullende informatie

Verbinden van verschillende Miniservers via Tree Intercommunicatie

Datablad Tree Cable