Tree Extension

De Loxone Tree interface maakt de integratie mogelijk van talrijke apparaten zoals sensoren, actoren of verlichtingsmiddelen die zijn uitgerust met de Loxone Tree technologie.

De Miniserver heeft een reeds geïntegreerde Tree interface. De Tree Extension is uitgerust met twee dergelijke interfaces.

Een Tree interface met inbegrip van de bedrading en de apparaten die erop zijn aangesloten, wordt een tak genoemd. Per tak kunnen maximaal 50 Tree apparaten worden aangesloten met een maximale totale lengte van 500m.

Datasheet Tree Extension

Inhoudsopgave


Inbedrijfname

De Tree Extension wordt geïnstalleerd in een geschikte verdeler op een DIN-rail.

100218 install

Sluit de voeding en de Link datalijnen aan op de Miniserver.

De Tree apparaten zijn verbonden met een van de twee Tree interfaces. Volg de gedetailleerde instructies voor het aansluiten van Tree apparaten hieronder.

Na het inschakelen van de voedingsspanning start de Extension, de status-LED knippert na korte tijd oranje als de verbinding met de Miniserver correct is.

Volg daarna de aanleer procedure


Diagnose ingangen

Korte beschrijvingEenheid
Online status Tree ExtensionDigitaal




Eigenschappen

Korte beschrijvingBeschrijvingStandaard waarde
SerienummerHier wordt de serienummer van het apparaat weergegeven.
Voor een Extension: 'Auto' mag enkel gebruikt worden als er maar 1 Extension van dit type aanwezig is.
-
Status LED's uitschakelenIndien aangevinkt zijn de status LED's op de volgende verdeelbord toestellen tijdens normaal werking uitgeschakeld:
Stelventiel Tree
RGBW 24V Dimmer Tree
In het geval van een storing zullen de apparaten uw aandacht trekken via hun status LED's.
-
Onlinestatus bewakenIndien aangevinkt wordt u via de systeem status op de hoogte gesteld via de Loxone App of Cloud Mailer, als het apparaat niet langer beschikbaar of offline is.-




Veiligheidsinstructies

De installatie moet worden uitgevoerd door een gekwalificeerde elektricien in overeenstemming met de geldende voorschriften.

De installatie vereist inbouw in een geschikte behuizing om bescherming tegen contact, water en vuil te garanderen.

Het apparaat mag niet worden gebruikt voor veiligheidskritische toepassingen.


Aansluiten van Tree apparaten

Sluit de Tree apparaten aan op de Tree Interface van de Miniserver of Tree Extension. Per tak kunnen maximaal 50 Tree apparaten worden aangesloten met een maximale totale lengte van 500m. Er mag geen verbinding worden gelegd tussen de verschillende Tree takken.

Het volgende schema toont een voorbeeld van de bedrading van verschillende Tree apparaten die op een Tree Extension zijn aangesloten.

tree wiring example

De volgende topologieën zijn toegestaan voor de bedrading:

tree wiring topologies

De Loxone Tree kabel wordt gebruikt voor de bekabeling, die zowel de Tree datalijnen als de bedrading voor de 24VDC-voeding in de overeenkomstige kleuren bevat. Voor apparaten met een hogere energiebehoefte, zoals Tree verlichtingsmiddelen, bevat de Tree kabel ook een paar draden met een doorsnede van 1,5 mm² voor de voeding.

Wij raden u aan om per ruimte een Tree kabel te leggen vanaf de verdeler in de ruimte en deze vervolgens af te takken naar de afzonderlijke Tree apparaten in de ruimte. Dit komt overeen met een boomtopologie.

Binnen een schakelkast worden ook jumper-draden gebruikt voor de bedrading.

Voor alle apparaten die met elkaar communiceren, moet de GND ook worden aangesloten. Dit is nodig als er meer dan één voeding wordt gebruikt. (bv. in een subverdeelbord, of als er afzonderlijke voedingen worden gebruikt voor de verlichting). In dit geval worden de voedingseenheden aangesloten via de GND (minpool). Deze verbinding is absoluut noodzakelijk voor een stabiele datatransmissie.

De draadlengte van max. 500m verwijst naar de datalijnen van een Tree tak, niet naar de draadlengte van de 24V-voeding. Vooral bij Tree verlichtingsmiddelen kan de bereikbare draadlengte, afhankelijk van de topologie, aanzienlijk korter zijn vanwege het benodigde vermogen, omdat er een spanningsval is op de 24V-lijnen. Als alternatief kan een aparte toevoerleiding met een hogere doorsnede worden aangelegd.


Aanleren van Tree apparaten

Om in Loxone Config naar Tree apparaten te zoeken, klikt u eerst op een Tree interface en activeert u vervolgens Tree apparaten zoeken.

In het venster dat nu wordt geopend, worden alle aangesloten Tree apparaten vermeld die nog niet in de programmering zijn opgenomen:

10.5 tree search

Als u hier een apparaat markeert, identificeert het zich op verschillende manieren. Bij apparaten met een status-LED knippert deze, verlichtingsmiddelen pulseren met wit licht, andere apparaten zoals de Loxone Touch maken zichzelf merkbaar door een hoorbare klik. U kunt de apparaten respectievelijk toewijzen en een naam geven.

Markeer nu een apparaat, selecteer de aanduiding, de ruimte en de installatieplaats en voeg dit toe aan de programmering met de knop Apparaat aanleren of met het + teken.

In de rechterhelft van het venster worden de apparaten weergegeven die zich al in de programmering bevinden. Toon ze indien nodig met de knop Toon mijn Tree apparaten. Hier kunt u een bestaand apparaat vervangen door een nieuw apparaat van hetzelfde type uit de zoekopdracht. Dit is nuttig als een apparaat wordt vervangen of apparaten worden toegevoegd aan een eerder geplande programmering. Selecteer het aan te leren apparaat en het te vervangen apparaat. Door op de pijl naar rechts te klikken, wordt het oude apparaat in de programmering vervangen door het nieuwe.

Om de wijzigingen te accepteren, slaat u het programma achteraf op in de Miniserver.

Daarna zijn de toegevoegde apparaten klaar voor gebruik, de respectievelijke functies zijn beschikbaar in de randapparatuur van Loxone Config.

De Loxone App ondersteunt ook het zoeken en aanleren van Tree apparaten in de instellingen. ( vanaf Loxone Config versie 11.1)


Update en diagnose bij Tree apparaten

Als een Update vereist is voor Tree apparaten, zullen ze in oranje worden gemarkeerd in de apparaatstatus. Dit is vaak het geval als de Miniserver recentelijk is geüpdatet of als er apparaten met een oudere firmwareversie zijn toegevoegd.

De update van de Tree apparaten wordt automatisch op de achtergrond uitgevoerd door de Miniserver, de apparaten blijven in principe functioneel. Er kunnen echter vertragingen optreden in de gegevensoverdracht. In zeldzame gevallen is het mogelijk dat deelfuncties van Tree apparaten pas weer beschikbaar zijn als de update is voltooid.

De volgende mogelijkheden zijn beschikbaar voor de Diagnose:

1. De Status-LED van een apparaat laat al een snelle controle toe op fouten.
Rood knipperend: Geen verbinding via een Tree interface met de Miniserver, controleer de bedrading en de Miniserver.
Oranje knipperend: Verbinding met de Miniserver OK, apparaat is echter nog niet toegevoegd aan de programmering.
Groen knipperend (continu of 3x, dan uit): Alles is OK, apparaat is online.
Snel rood/groen knipperend: Apparaat is gemarkeerd in Loxone Config en identificeert zichzelf.
Geen knipperen: Normaal bedrijf (de status-LED is uit of kan worden uitgeschakeld, afhankelijk van het apparaat dat in bedrijf is)

2. De Tree diagnose maakt een meer gedetailleerde analyse mogelijk. Om dit te doen, maakt u verbinding met de Miniserver, selecteert u een apparaat met een Tree interface en klikt u vervolgens op de knop Tree diagnose.

10.5 tree diagnostics

De Tree apparaten staan nu in het venster Tree diagnose. Diagnostische gegevens worden continu doorgegeven, waardoor eventuele fouten kunnen worden gedetecteerd. Als er fouten optreden, worden deze samen met de voorgestelde oplossingen weergegeven. Tijdelijke fouten (bv. slecht contact, potentieel verschil) worden hier ook merkbaar doordat er data pakketten verloren gaan.

Problemen oplossen:
Afhankelijk van hoeveel en op welke apparaten fouten in de diagnose optreden, kan een fout beperkt worden. Om dit te doen, is het nuttig om de bedrading in de betreffende installatie goed te kennen.
Controleer of het alleen apparaten op een tak, of apparaten in een specifieke ruimte, of apparaten van een specifiek punt van de bedrading beïnvloedt. Op deze manier kunt u de storingslocatie beperken tot oorzaken zoals defecte aansluitpunten of verwisselde datalijnen.
Als de storingen slechts sporadisch optreden, dient u de Tree diagnose enige tijd in acht te nemen. Op deze manier kan eventueel een tijdsverband met een andere gebeurtenis worden vastgesteld. Een ontbrekende GND-verbinding kan ook de oorzaak zijn van tijdelijke storingen.


Meer informatie

Verbinden van meerdere Miniservers via de Tree Intercommunicatie


Documenten

Gegevensblad Tree Extension

Datasheet Tree Kabel