Miniserver Client/Gateway & Concentrator

Toepassing

Met de client-gateway-functie kunnen meerdere miniservers (clients) communiceren met een hoofd-miniserver (gateway). Daartoe moeten alle miniservers verbonden zijn met hetzelfde netwerk (LAN).

Wanneer een update wordt uitgevoerd, moet die alleen op de gateway-miniserver worden gestart, alle clients worden automatisch geactualiseerd.

Bovendien kunnen verschillende programmatypes worden gedefinieerd; zo kan dezelfde programmering over meerdere miniservers worden verdeeld. Dit is bijvoorbeeld zeer interessant in een hotel, want daardoor kan het programmeerwerk sterk worden gereduceerd.

Tutorial

In deze Engelstalige video legt onze CEO Thomas de basisfuncties van de client-gateway uit.

Basisprogrammering

CLIENT – GATEWAY

Alle vereisten miniservers (zowel gateway als clients) moeten in Loxone Config geopend en verbonden zijn. U kunt heel eenvoudig tussen deze apparaten schakelen met de tab-functie.

Om de hoofd-miniserver als gateway-miniserver te definiëren, navigeert u in Loxone Config in de randapparatuur naar het punt “Miniserver-communicatie”. Selecteer dit item en klik vervolgens rechtsboven op de knop “Miniserver-gateway”.

config miniserver gateway

 

Ga na naar het tabblad met uw client-miniserver, selecteer de regel “Miniserver-communicatie” en klik vervolgens rechtsboven op de knop “Miniserver-client”.

Voer in de eigenschappen het programmatype en het serienummer van de gateway-miniserver in en sla het programma vervolgens op in de client-miniserver.

Merk op dat de gateway-miniserver en alle client-miniservers dezelfde hoofdgebruiker en het zelfde wachtwoord moeten hebben.
Klik nu op de aangemaakte gateway en wijs hieraan een sleutel toe. Hiermee wordt de communicatie met de andere miniservers versleuteld overgedragen.

config miniserver gateway 2

Om een client-miniserver aan de actuele gateway toe te voegen, gebruikt u de knop “Configuratie”. Nadat u op “Miniservers zoeken” heeft geklikt, verschijnt een lijst met alle momenteel in het netwerk beschikbare miniservers. Een miniserver die momenteel niet online/bereikbaar is, kan niet worden ingevoegd.

Kies de gewenste miniservers (vinkje aan de linkerzijde) en druk op de knop OK. Sla deze configuratie op in de gateway-miniserver. Nu worden alle geselecteerde miniservers automatisch geïntegreerd in de gateway.

Velddefinitie:

  • Miniserver – Netwerknaam van de miniserver
  • IP-adres – Actueel netwerkadres van de miniserver
  • Serienummer – Serienummer van de miniserver
  • Programmatype
    • U kunt verschillende programmatypes toewijzen. Ze vormen voor de gateway-miniserver de basis voor de verdeling van de programma’s. Afhankelijk van het programmatype kan de programmering verschillend worden veranderd.
  • Kamer
    • Hier kunt u een kamernummer aan de miniserver toewijzen. Dit helpt om de plaats van de client-miniserver preciezer toe te wijzen.

config miniserver gateway 3

Wanneer u met uw gateway-miniserver verbonden bent en met de muisaanwijzer over de groene cirkel linksboven in de statusbalk navigeert, verschijnt de status van alle client-miniservers.

Als u een andere miniserver als “gateway” wenst, kunt u in het periferievenster rechts klikken op de miniserver en vervolgens in het contextmenu op “Miniserver als gateway gebruiken” klikken.

CONCENTRATOR

Dankzij de concentratorfunctie kunnen meerdere miniservers met elkaar in een programma worden gebruikt.

Verbind eerst uw hoofd-miniserver.

Vervolgens klikt u met de rechter muisknop in de periferieboom op de miniserver en vervolgens met de linker muisknop op “Document aan gateway toevoegen”.

concentrator

 

Nu kiest u het programma van de miniservers die u als client wilt toevoegen.

Merk op dat de administrator-gebruikersnaam en het wachtwoord van alle gekoppelde miniservers identiek moeten zijn!

concentrator 2

De ingevoegde client-miniserver wordt nu eveneens vermeld in de periferieboom van het hoofdprogramma.

 

randapparatuur

 

Controleer of het juiste IP-adres en MAC-adres is ingevoerd in de eigenschappen van alle miniservers en sla vervolgens het aangepaste programma op in de miniserver.

Deze gegevens moeten correct zijn wanneer ze de eerste keer worden opgeslagen in de hoofd-miniserver!

 

eigenschappen miniserver

Nu kunnen alle in- en uitgangen van alle ingevoegde miniservers in een programma worden gebruikt.

Afhankelijk van de grootte van het programma en het aantal gevisualiseerde objecten kunnen tot 5 miniservers in een concentrator worden gebruikt.